Problemen

Algen deel 2

Door: Jan Hameeteman
Bron: Maandblad van Aquavo, Purmerend

Eerder publiceerden we algemeen artikel over de bestrijding van algen. Onderstaand maakt ook deel uit van dat artikel en gaat dieper in op de bespreking per groep. Een pittig stukje, maar heel leerzaam.

Groenwieren
De term "groenwieren" moeten wij zien als een verzamelnaam voor een uitgebreide en nogal gevarieerde groep algen, die zowel in zoet- als zeewater voorkomen. Binnen dit bestek is het niet mogelijk op alle soorten binnen deze grote groep in te gaan en moeten we ons tot enkele beperken. Voor deze groenwierengroep geldt echter in zijn geheel: zij bezitten precies hetzelfde chlorofyl als de hogere planten. Samen met de kleine groep Euglenofyta zijn dit de enige algen waarvan we dit kunnen zeggen. Vooruitlopend op het onderwerp "bestrijding" kunnen we hier dus al stellen: het bestrijden van groene algen via een andere wijze dan milieuverandering, zal vrijwel altijd gepaard gaan met risico's voor de groei van onze aquariumplanten. Aantasting van de bladgroenkorrels van de groene algen zal dan immers dezelfde gevolgen hebben.

Tot eencellige groenwieren behoren onder andere de Chamydomonas die veel in zoet water voorkomen. De cellen hiervan zijn meestal eivormig en leven solitair. De twee trilharen zijn de cel met elkaar en met de kern verbonden. Deze is weer op vernuftige wijze "aangesloten" met een lichtgevoelige "oogvlek" die tegen de celwand ligt. De lichtinval wordt zo overgebracht naar de beide trilharen die daar hun bewegingen naar regelen. Zij vermenigvuldigen zich geslachtelijk en ongeslachtelijk. Zo kan één cel 2-30 nieuwe vertegenwoordigers voortbrengen Ze zijn helder groen en kunnen "waterbloei" veroorzaken. Het soms plotselinge afsterven, vraagt onze oplettendheid: er kunnen in het aquarium giftige stoffen ontstaan. Bodem afhevelen, doorluchten en eventueel kleine delen water verversen. Gedrag van de vissen goed observeren.

Leeft deze soort solitair, een andere, die qua bouw veel op hem lijkt, is de meer bekende Volvox. Dit zijn niet-solitair levende eencelligen. Een per soort of geslacht vaststaand aantal eencelligen vormt tezamen een "kolonie" of een "coenobium" Ze hebben een geleiachtige buitenlaag waarmee ze aan elkaar kleven", terwijl ze bovendien onderling verbonden zijn door plasmabandjes. Deze samengevoegde cellen kennen arbeidsverdeling. Elke cel is zuiver groen en heeft 2-8 even lange zweepharen. De zoetwatersoorten kunnen bestaan uit een coenobium van 500 tot ongeveer 30.000 cellen. Het juiste aantal cellen staat per soort vast.

De "slag" van de zweepharen is op elkaar afgestemd door middel van plasmastrengen. In de kolonie zijn vaak een of meer dochterkolonies zichtbaar, die na het openbarsten van de oude tot nieuwe kolonies uitgroeien. Er bestaan vrouwelijke en mannelijke kolonies. Bevruchte vrouwelijke cellen groeien na een rusttijd uit tot een nieuw coenobium en zijn dan als een groene punt waarneembaar. Het "bolwiertje" gedraagt zich dus als een volledig organisme.

In de aquariumpraktijk wordt deze soort overigens vaak verward met een Protococcus-soort; een aantal hardgroene cellen die zich vooral op de voorruit en bijvoorbeeld ook op het Leidse plantje kan vastzetten en vrijwel niet te verwijderen is.

Tot de bekende "draadalgen" behoort onder andere de "grondlucht" verspreidende Oedogonium met vertakte of onvertakte lichtgroene draden, die zich vastzetten aan steen of hout. In de voortplantingsperiode zijn ze te herkennen aan bolvormige cellen die op bepaalde plaatsen tussen de andere in de "draad" zitten. De eicellen in de "bollen" breken na de bevruchting uit als zwemsporen. Na enige tijd zetten zij zich dan met zweepdraadjes vast en door volgende delingen ontstaat een nieuwe draad.

Het schroefwier Spirogyra: draadvormig, heldergroen, min of meer slijmerig weefsel met een voorkeur voor stilstaand water. De Spirogyra bestaat uit een vlekkerige massa naast elkaar liggende draden, die opgebouwd zijn uit cilindervormige chloroplastband, waarin zich ook de pyrenoïden, stervormige deeltjes, bevinden. Hieraan wordt het gevormde zetmeel afgezet. De cellen vermenigvuldigen zich door deling. Vaak voltrekt dit proces zich in een hoog tempo. Ook geslachtelijke vermeerdering vindt plaats. Bij cellen van twee naast elkaar liggende draden komen "uitstulpingen" voor die met elkaar versmelten: er wordt een soort "brug" of "juk" gevormd (Jukwieren). De inhoud van de ene cel gaat via deze brug (conjugatiebuis) over in de andere cel en versmelt daar tot een zygote. Deze zygote maakt een rustperiode door en groeit dan (meestal in het voorjaar) uit tot een nieuwe draad. Men noemt dit verschijnsel: Conjugatie. Ook bij het draadwier Zygnema komt conjugatie voor.

Phaeophyta - bruinwieren
Dit zijn vrijwel uitsluitend zeewieren, die grote afmetingen kunnen hebben en meestal vastgehecht leven aan rotsachtige kusten. Vooral in de minder warme streken.

Het bekende Sargassum behoort tot deze groep. Speciaal kleurpigment: fucoxanthine. De buitenlaag van de celwand bestaat uit algine. Deze stof is specifiek voor bruinalgen, en wordt gebruikt bij de vervaardiging van consumptie-ijs, in de verfindustrie en voor farmaceutische industrie. In tegenstelling tot het aquaristisch spraakgebruik: Bruine algen komen niet voor in het zoetwateraquarium. Ook het "blaaswier" dat we vaak aan het strand kunnen vinden behoort tot deze groep.

Rhodophyta - roodwieren
Ook dit is een zeewier, speciaal ingesteld op een leven in dieper, stromend water. Het bevat chlorofyl A, dat echter overdekt wordt door rood fycoerygthrine en blauw fycocyaan. Als assimilatieproduct vinden we een speciaal soort koolhydraat: roodwierenzetmeel. In de Noordzee groeit het zogenaamde Ierse mos dat in de geneeskunde toepassing vindt. Van weer een andere soort maakte men de welbekende agar-agar. Overigens zijn het in het algemeen warmte minnende soorten, met een zeer bijzonder voortplantingsproces, waarop we hier niet verder kunnen ingaan. De "kiemcel" hecht zich aan of in een plantaardige of minerale ondergrond, waarna de snelgroeiende dunne draden omgeven worden met een aantal andere cellen, een ontwikkeling die spoedig gevolgd wordt door vertakkingen.

Zo doet zich ook de onder aquarianen gevreesde snor- of baardalg voor: Compsopogon coeruleus. Een hoog ontwikkelde alg, die we waarnemen als een uitgesproken stugge, warrig vertakte, grijs tot blauwgroene alg op bladranden, hout en steen. De dikte van de draden kan uiteenlopen van 1 tot 2,5 mm.

Wat de kleur van veel roodalgen betreft: bij sterke belichting zien we ze niet als "rode" alg, doch als een blauwgroene, omdat onder die omstandigheden de blauwe kleurstof de overhand krijgt. Wie deze alg kent weet dat ze vrijwel niet te verwijderen is: ze zet zich op elke ondergrond vast. De buitenste, kraakbeenachtige cellen beschermt het centraal lichaam van deze daarom zo moeilijk te bestrijden algensoort, die waarschijnlijk met uit de Everglades geïmporteerde planten zijn intrede in onze aquaria gedaan heeft.

Enig houvast bij de moeilijke bestrijding kunnen we vinden in een aantal bekende milieufactoren. Deze alg blijkt geen voorkeur te hebben voor bijzonder voedselrijk water, doch wel voor een vrij hoge temperatuur en stromend water dat helder en zuurstofruk is (min of meer aquariumwater dus).

Het sterk verminderen van lichttoevoer, het uitschakelen van filters en pompen zou dus een remmende factor kunnen veroorzaken, al moeten we bedenken dat deze alg enigszins aangepast is aan minder gunstige lichtfactoren.

Chrysophyta
Het grootste gedeelte van de tot deze groep behorende algen is eencellig. De diatomeeën onder hen zijn allemaal eencellig. Er zijn ongeveer 10.000 soorten bekend. In zee vormen zij de basis van alle voedsel. Behalve chlorofyl A bezitten ze steeds een goudbruin gekleurd pigment: diatomine. Ze zijn bijzonder talrijk en zowel in zoet- als in zeewater vinden we ze in grote hoeveelheden in het plankton. Fossiel worden ze in massa gevonden op de zeebodem, maar ook op het vaste land: soms in metersdikke lagen diatomeeënaarde. Hun celwanden van pectine bevatten als regel een soort kiezelzuur, waardoor deze wand verhardt tot een kiezelachtige substantie (kiezelalgen).

We onderscheiden twee hoofdgroepen: a. Pennatae, met langwerpige vormen, als regel in zoet water. En b. Centricae, meestal rond of Vhoekig, vrij zwemmend in zee. De kleur van deze wonderlijke mooie, symmetrisch opgebouwde algen is geelbruin tot bruin. Ze vormen geen zetmeel, doch een vitaminerijke soort olie. Voortbewegen is mogelijk via een soort plasmastroom door een groef die overlangs de schaalplaten loopt. Sommige soorten kunnen in drie minuten op deze wijze een afstand afleggen van 400 maal hun eigen lengte. De vermenigvuldiging door celdeling kan zich in hoog tempo voltrekken. Bij sterke vergroting is op de kiezelwanden een gevarieerde tekening van streepjes en punten te zien. De soortverschillen berusten voor een goed deel op deze tekening. De uit twee delen bestaande celwand past ongeveer als een doos en een deksel op elkaar. Bij de celdeling krijgt het "deksel" een nieuw "doosje" en het "doosje" een nieuw "deksel".

Het is vooral deze alg die in de aquariumkringen de uitdrukking "bruine alg" ingevoerd heeft. Bij niet te sterk licht en vooral bij verontreinigd water, kunnen de diatomeeën zich namelijk sterk ontwikkelen en zowel planten, rotsformaties als bodem met een bruine laag bedekken. Daar vrijwel alle algensoorten aan de buitenzijde voorzien zijn van een dunne "slijmlaag", zullen ze zweef vuil opvangen en vasthouden, waardoor ze na een korte tijd alleen maar een vies-grauwe indruk geven. Dit is ook het geval met de in werkelijkheid bijzonder mooie diatomeeën.

De zoet watersoorten zijn in hoofdzaak bodemalgen en ze komen in het bijzonder voor in aquaria waarin zich veel organische (dus van leven afkomstig) afvalstoffen bevinden. In het aquarium zien we ze vaak het eerst op de ruiten. Ze geven dan de indruk van een vaalbruine aanslag. Een typisch kenmerk van de aanwezigheid van alg is bovendien de vetlaag die soms op het aquariumwater drijft. Onder dergelijke vetlagen vinden we vaak een sterke diatomeeënontwikkeling, hoewel deze laag behalve olie ook veel colloïdale oplossingen bevat of vasthoudt. Dit is een oplossing waarbij twee stoffen door elkaar vermengd zijn die fijn in elkaar verdeeld zijn. De fijne deeltjes zijn wel allen groter dan een molecuul en hebben een diameter heeft tussen de 1 en de 1000 nm.

Bestrijding is goed mogelijk door het inschakelen van een goed koolfilter, en toevoeren van meer licht. Bedenk echter wel dat afgestorven diatomeeën een ideale voedselbodem vormen voor blauwe algen.

Cyanofyta - blauwwieren
Dit zijn de algen die door veel aquariumhouders het meest gevreesd worden. Een klein aantal van de ongeveer 1.500 beschreven soorten is er waarschijnlijk de oorzaak van dat ons land niet tweemaal zoveel aquarianen telt als thans het geval is. Deze, tot de laagst geclassificeerde algen behorende aquariumplaag heeft al een niet te schatten aquaria door de trotse bezitter doen afdanken. En het is geen wonder. De vieze, blauwgroene laag die vanaf de bodem langzaam alles kan overtrekken en dan door zijn "vettige aard" veranderd in een smerige grauwe brei, verstikt elke vorm van plantaardig leven. Toch, en dat is een lichtpunt, ook deze primitieve alg is gebonden aan een milieu.

Van dat milieu weten we nog lang niet alles, maar wel iets. In de eerste plaats: de grootste vijand van de blauwe alg is helder, niet verontreinigd water. Nauwkeuriger gezegd: water dat weinig organische stoffen in allerlei staten van afbraak of oplossing bevat. Deze organische stoffen die voortdurend op de bodem van het aquarium terechtkomen en die veel gebonden stikstof bevatten, worden door de bacteriën "afgebroken" en omgezet in stoffen die onze planten kunnen opnemen. Hoewel planten voortdurend stikstof voor hun groei nodig hebben, hebben ze niet het vermogen om die op te nemen als de aanwezige stikstof geen deel is van een verbinding die ze in opgeloste vorm wel kunnen opnemen.

In de natuur hebben alleen een bepaald aantal organismen het vermogen zelf stikstof te kunnen "binden".

Dit zijn in de eerste plaats enkele bacteriëngroepen, doch ook diatomeeën en een aantal blauwalgen. Dit betekent: in sterk vervuild water hebben deze algen een voorsprong op hogere planten. Terwijl deze laatste afhankelijk zijn van het ingewikkelde proces van de stikstofkringloop, kunnen bepaalde aanwezige blauwalgen reeds toeslaan en tot ontwikkeling komen. Te meer, daar zij, verhoudingsgewijs, veel minder stikstof nodig hebben dan hogere planten.

Te midden van alle experimenten ligt hier de basis van onze bestrijdingsmethoden: voorkom een overdosering van organische stoffen! Een overdosering ontstaat wanneer de aanwezige planten de gevormde voeding, door welke oorzaak dan ook, niet meer of te traag opnemen. Op dat moment zet de vorming van een milieu voor blauwe algen zich in beweging! Onzichtbaar nog, doch intensief, want door de geremde plantengroei hopen de voedingszouten zich op. In tegenstelling tot wat we nu misschien verwachten, gaat in deze opeenhoping van gevormd nitraat de plant niet sneller groeien, neen, hij gaat steeds minder opnemen, totdat de groei uiteindelijk "stilstaat". Het afbraak- en opbouwproces, dat juist vlak boven de bodem zo kwetsbaar is, wordt steeds verder verstoord en de blauwe alg doet zijn intrede! Een intrede die tevens een nieuwe factor van verstoring tot gevolg heeft. Onder normale omstandigheden overwoekert de alg geen hogere plantengroei, doch de reeds sedert enige tijd "geremde" plant is een gemakkelijke prooi, zeker voor blauwe alg.

Ook blauwe algen kunnen eencellig zijn, kolonies vormen of uit cel draden bestaan. De eencelligen vermeerderen zich door celdeling. De kolonies breken ten slotte in "stukken" die elk weer tot een nieuwe samenleving van eencelligen aangroeien terwijl bij draadvormende soorten meestal korte stukken afbreken.

De verschillende soorten komen over de hele wereld voor: niet alleen in zee- of zoetwater, doch ook op het land. In tropische gebieden groeien ze zelfs als epifyten op de bladeren van verschillende planten. Zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden kunnen ze zich lange tijd handhaven. Zo zijn er soorten die in water leven doch wanneer dit uitdroogt "rustsporen" vormen. In het aquarium kan dit voorkomen als we kienhout of bealgde lavasteen uit het water halen en tijdelijk niet gebruiken. Zouden we dit bij later gebruik niet eerst heel goed uitkoken, dan bestaat er een grote kans dat deze "rustcellen" binnen korte tijd weer actief worden.