Belonesox Belizanus

Bron: Maandblad van de Minor, Maastricht
Door: Karel Fondu
Bewerking: R. Hoofs

De Poeciliidae vormen de grootste familie van (ei)levendbarende tandkarpers. Deze familie omvat zo een 26 geslachten en ca. 138 soorten. De vissen, binnen deze familie, komen uit een groot gebied, dat de warme streken van Noord-Amerka omvat en zich verder uitstrekt tot Midden- en Zuid-Amerika. Alleen de vertegenwoordigers van de Hemiramphidae, waartoe de Dermogenys (halfsnavelbekje) behoort, leven in Zuidoost-Azië. De Poeciliidae bevolken rivieren, meren, moerassen, poelen en plassen. Alle mannetjes van deze familie zijn begenadigd met een speciaal paringsorgaan, dat gonopodium (is een gespecialiseerde anale vin) genoemd wordt. Dit orgaan is ontwikkeld uit de aarsvin of maakt er onderdeel van uit. Het sperma wordt langs of door het gonopodium naar de vrouwelijk geslachtsopening gevoerd. Het wijfje is in staat het hom vocht gedurende een lange tijd op te slaan, zodat er niet telkens een paring moet plaatsvinden, om een pakket eitjes te bevruchten. De eitjes ontwikkelen zich in de ovariumwand van het vrouwtje. Van zodra ze op uitkomen staan, zakken ze naar de eileider. De volledig ontwikkelde jongen worden uitgestoten en gaan onmiddellijk hun eigen weg.

Bij de Goodeidae (een familie van straalvinnige vissen uit de orde tandkarpers) ontwikkelen de embryo's zich niet in de eierstokken van het vrouwtje, maar in een speciaal aangepast gedeelte van de eileider. De jongen verteren niet alleen hun dooierzak, maar ontvangen, bijna vergelijkbaar met embryo's van zoogdieren, ook rechtstreeks voedsel vanuit het moederlichaam. De Goodeidae zijn dus echte levendbarende. De vrouwtjes kunnen ook geen sperma opslaan. Ze moeten voor elk broedsel opnieuw worden bevrucht.

De Belonesox komt, zoals zijn naam al laat vermoeden, onder meer voor in Belize, maar je vindt hem ook in Honduras en Nicaragua. Hij leeft er in stilstaand of langzaam stromend zoet water, maar bevolkt er ook brakke kustgebieden. Ondertussen is hij, door menselijke tussenkomst, al doorgedrongen tot in grote delen van Texas en in het zuidelijk deel van Florida. Waarschijnlijk werd hij er door aquarianen, die er op uitgekeken waren, of die ontdekten dat door zijn aanwezigheid hun visbestand pijlsnel slonk, gedumpt in de lokale beekjes en rivieren.

De Belonesox wordt tot de Poeciliidae gerekend, alhoewel hij een totaal andere vis is dan zijn verwanten. Het is namelijk een roofvis in hart en nieren, die absoluut niet geschikt is voor het gezelschapsaquarium.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het niet interessant kan zijn, om hem in een speciaalaquarium te houden en te bestuderen. De Belonesox werd al in 1860 door Kner beschreven. Sedert 1909 is hij herhaalde malen ingevoerd, maar hij werd nooit echt populair.

Dit eierlevendbarende snoekje is gestroomlijnd en duidelijk gebouwd op snelheid. Het lichaam is gestrekt en slechts in het staartgedeelte samengedrukt. De kop is lang en aan de bovenzijde afgeplat. De onderkaak is langer dan de bovenkaak, wat de gelijkenis met onze snoek nog vergroot. Zijn tanden zijn scherp gepunt. De grondkleur van het mannetje is, al naar gelang zijn stemming, bronsgroen tot geel. Over de flanken lopen vier of vijf rijen donkere punten. Behalve de staartvin, die een gele zweem heeft en een blauwe onderste rand vertoont, zijn de overige vinnen kleurloos. De vrouwtjes zijn meer zilverachtig en hebben vaak een klein, onduidelijk zwart vlekje in het midden van de staartwortel. Bij de mannetjes is deze zwarte cirkelvormige vlek duidelijk aanwezig. De schubben zijn eerder klein. De grote ogen hebben een gouden rand. ’s Nachts worden de vinnen en het onderste gedeelte van het lichaam zwart. De mannetjes bereiken een lengte van 10 cm. De vrouwtjes worden tot 18 cm groot.

Waar je bij de aankoop van deze vis vooral moet op letten is, dat hij geen kwetsuren heeft aan de snuit of aan de kieuwen.

De exemplaren, die in de vrije natuur worden gevangen, raken vaak met hun kieuwen of met hun snuit verstrikt in de vangnetten en lopen zo onvermijdelijk schade op.

Als je deze bijzondere eierlevendbarende wilt houden, zet je hem in een apart aquarium. Kies dit, naargelang het aantal dieren dat je wil houden, niet te klein. Voor twee mannetjes en vier vrouwtjes, moet je toch opteren voor een bak van 200 liter. Om het geheel wat op te fleuren, gebruik je enkele grillige stukken kienhout. Zorg voor een goede randbeplanting en enkele drijfplanten, die voor schaduwrijke plekken zorgen, waaronder de snoekjes zich graag verbergen en van waaruit ze ongestoord kunnen loeren op prooi. Eens die binnen bereik komt schieten ze er als een pijl op af.

In de natuur bestaat het voedsel van dit levendbarend snoekje hoofdzakelijk uit kleine visjes en insecten en hun larfjes. Alhoewel hij een rasechte oppervlaktevis is, went hij in het aquarium vrij vlug aan diepvriesvoer dat hij, als het aquarium niet te hoog is, ook op de bodem gaat oprapen. Zijn voorliefde gaat natuurlijk uit naar levende visjes. Het liefst van al eet hij guppen. Platy's en Black Molly's eet hij duidelijk tegen zijn zin. Ook rode en zwarte muggenlarven zeggen hem niets. Het is duidelijk dat hij, van jongs af, zeer goed deze twee kleuren kan onderscheiden. Er zijn gevallen bekend, waarbij Black Molly's niet alleen overleefden in zijn gezelschap, maar ook verder kweekten in dezelfde bak.

Belonesox zijn grote eters. Als je hen visjes voedert, gebeurt het vaak dat ze er, met één hap, meer dan één in hun bek zitten hebben. Ze spuwen ze dan weer uit, om ze vervolgens één voor één door te slikken.

Aan de samenstelling van het water stellen ze geen speciale eisen. Alleen zacht, zuur water verdragen ze niet. Sommige auteurs raden het toevoegen van een beetje zout aan, wat anderen dan weer totaal overbodig vinden. Wat wel belangrijk schijnt te zijn, is een regelmatige waterverversing met gewoon leidingwater. Een goed functionerende filter zorgt er voor, dat het water helder blijft. Over de temperaturen zijn de auteurs het ook niet eens. Sommigen raden een temperatuur van 25 tot 30°C aan. Anderen houden het bij 23°C. De draagtijd van de vrouwtjes bedraagt, al naargelang de temperatuur waarin ze gehouden worden, 35 tot 45 dagen. Zij kunnen tot 150 jongen werpen. De jongen zijn bij de geboorte al behoorlijk groot en eten onmiddellijk artemia naupliën en witte muggenlarven. Omdat het echte schrokkers zijn, moet je ze minstens twee maal per dag rijkelijk voederen. Ze groeien enorm snel en zijn na twee maanden al 5 of 6 cm groot. Als ze 7 cm bereiken, kan je al duidelijk de geslachten onderscheiden.

Eén of twee dagen voor het afzetten eet het vrouwtje niet meer, want ze heeft, op dat moment, een eetremming. Daardoor worden de pasgeboren visjes normaal niet opgegeten. Daarbij komt nog dat de jonge visjes aanvankelijk bewegingloos ronddrijven. Het vrouwtje verwart hen waarschijnlijk met stukjes plant of stukjes hout en ziet hen daardoor niet aan als prooi.

Je zal je waarschijnlijk wel afvragen welke vissen je eventueel in het gezelschap van deze snoekjes kan houden? Het meest geschikt zijn harnasmeervallen omdat zij, in tegenstelling tot de snoekjes, op de bodem of alleszins in de lagere regionen van het aquarium vertoeven en zij, door hun lichaamsbouw, beschut zijn tegen eventuele aanvallen van hun robuuste medebewoners. Let er wel op dat er voldoende voedsel naar de bodem zakt, om ook aan de noden van de bodembewoners tegemoet te komen. Als je met je guppyjongen geen blijf meer weet, haal dan een koppeltje Belonesox in huis. Ze zijn, op hun manier, efficiënter dan een poes!