Tanganicodus
irsacae is een kleine, actieve cichlide die in
de branding van het ondiepe water van het Tanganyikameer
voorkomt. Hij wordt maar 7 cm groot en is de kleinste
grondelcichliden. Aangepast als hij is aan zijn
natuurlijke biotoop heeft hij een stel krachtige
borstvinnen om zich in het turbulente water aan
de stenen ‘vast te klampen’.
Tevens heeft hij een gedegenereerde zwemblaas,
wat hem een ander voordeel geeft:
op deze manier wordt hij minder snel met de branding
meegevoerd. Hij zwemt door de gedegenereerde zwemblaas
op een huppende manier. Deze grappige manier van
zwemmen heeft hem en enkele andere op hem gelijkende
bewoners van de ondiepe wateren van het Tanganyikameer
de bijnaam ‘Clowncichlide’ opgeleverd.
Met zijn spitse, onderstaande bek schraapt hij
de algen met de kleine beestjes ertussen van de
rotsen. Algen staan dan ook als hoofdmenu op het
programma.
Als
zich een koppel heeft gevormd kan er heel leuk
gedrag waargenomen worden, deze soort behoord
namelijk tot de bi-parentale muilbroeders. Dat
wil zeggen dat zowel het mannetje als het vrouwtje
de broedzorg verzorgt.
Het hof maken van het mannetje gebeurt door snel
om het vrouwtje heen te zwemmen en te stoten tegen
haar buik. Het gevolg is een stuk of 10 oranje
eitjes die het vrouwtje in haar bek neemt. Daarna
neemt het vrouwtje wat sperma in haar bek, zodat
de eitjes bevrucht worden.
Het
vrouwtje houdt de eitjes een week of twee in haar
bek, waarbij ze maar spaarzaam eet. Na twee weken
zoekt ze het mannetje letterlijk op en geeft de
dan kleine jongen over aan het mannetje. Dit heeft
een groot voordeel met betrekking tot het verzwakken
van het vrouwtje. In tegenstelling tot veel andere
muilbroedende cichliden heeft zij dus maar 2 weken
waarin ze niet zoveel kan eten. Muilbroedende
vrouwtjes van andere soorten hebben soms een periode
van 4 á 5 weken waarin ze de jongen noodgedwongen
in hun bek houden.

Het
mannetje gaat nu de periode in waarin hij maar
spaarzaam eet en in het begin nog heel stoer probeert
andere vissen te verjagen. Dit is grappig om te
zien, want na een tijdje ligt hij na een spurt
huppend zwemmen letterlijk met een volle bek uit
te hijgen op een steen.
Die bek wordt steeds voller en na twee weken draagtijd
van het mannetje worden de kleine jongen gefaseerd
losgelaten. Beide ouders houden de jongen nog
een tijdje in de gaten, maar de jongen zijn al
heel snel zelfstandig en werkelijk prachtig om
te zien.
De blauwachtige stippen die de jongen hebben zullen
zich snel ontwikkelen en zijn als de jongen ongeveer
1 cm groot bijna van dezelfde grootte als die
van de ouders. Verder zijn het gewoon mini-Tanganicodus
met dezelfde grappige huppende zwemstijl. Ze lijken,
ook als ze nog heel jong zijn, precies op hun
ouders.
Om
dit prachtige visje in een aquarium te houden
is het verstandig om met een aantal jonge exemplaren
te beginnen en daar in een later stadium een koppeltje
uit te laten vormen.
Als ze nog jong zijn kunnen ze in een aquarium
van 100x40x40 verzorgd worden.
Volwassen exemplaren raad ik aan wat groter te
huisvesten, mannetjes kunnen zeer agressief zijn.
Uiteraard wordt een flinke stroming met zuurstofrijk
water op prijs gesteld, bij een watertemperatuur
van ongeveer 26 graden.
Een flinke belichting van het aquarium zal de
algen groei ten goed komen. In tegenstelling tot
een hoop vissen schrikt veel licht deze visjes
niet af, ze komen in de natuur immers ook voor
onder de felle tropenzon.
Het aquarium moet rijkelijk voorzien zijn van
stenen op de bodem, enkele planten van de soort
Vallisneria spiralis kunnen de inrichting dan
compleet maken.
Het
hoofdvoer dient te bestaan uit Spirulina vlokken
van een goed merk, aangevuld met ontdooide cyclops
en garnalenmix. De cyclops of garnalenmix voer
ik altijd na het voeren met Spirulina om te voorkomen
dat ze eventueel teveel dierlijk voedsel ‘op
een nuchtere maag’ krijgen.
Ik
kan een ieder met een ondiep water Tanganyika
biotoop of een speciaal aquarium deze karaktervolle
prachtige visjes aanbevelen. Het zijn in de grotere
aquaria de ideale medebewoners van Tropheus, die
in hetzelfde gebied voorkomen.
Auteur:
Art Landman
Fotografie: Carel Souwer
|